Trap er niet in!
terug | printDe top 10 hypotheekinstinkers
“De laagste rente!” of: “Weinig aflossen!” Ze schreeuwen je toe van alle kanten: wervende leuzen van hypotheekfirma’s. Op televisie, in bushokjes, op je deurmat. Maar komen al die mooie beloftes wel uit? Is die ene hypotheekvorm nou echt goedkoper? De tien grootste hypotheekinstinkers op een rij:
1. Een hoger prognoserendement op een beleggingshypotheek (of hybride hypotheek met beleggingselement)
Hoe hoger het prognoserendement, hoe lager de maandelijkse premie. Maar ‘geboekte resultaten in het verleden bieden geen garantie voor de toekomst’. Wanneer een prognose te hoog wordt ingeschat (hoger dan 8%, bijvoorbeeld 10-12%) moet je op je hoede zijn. Tegenvallende rendementen kunnen leiden tot een restschuld aan het einde van de looptijd. De geldverstrekker kan bovendien tussentijds extra stortingen eisen.
2. Vergelijken alleen op basis van rente (hybride, spaar- en belggingshypotheek)
Een hypotheek bestaat doorgaans uit twee componenten: een rentecomponent en een aflossingscomponent. Het laagste rentepercentage is zeker niet altijd een garantie voor de laagste nettomaandlasten. Dit kan worden veroorzaakt door het koppelen van een dure polis aan de lening. De beste vergelijking is dus om de diverse hypotheken te vergelijken op basis van nettomaandlasten en niet op basis van rentetarieven.
3. Heel lage rente voor een korte rentevaste periode
Sommige aanbieders, vooral banken, adverteren met spectaculaire kortingsacties, zoals een jaar vaste brutorente van 1,5%! Dit zijn lokkers in de ware betekenis van het woord. De financiële consequenties kunnen echter heel nadelig zijn wanneer het kortingsjaar is afgelopen: de maandlasten gaan sowieso omhoog, alleen de vraag is met hoeveel. Vaak krijg je, zodra de rentevaste periode is afgelopen, te maken met adviestarieven die doorgaans boven het marktgemiddelde liggen. Gezien de kosten die gemaakt moeten worden om te vertrekken bij een bepaalde geldverstrekker (notaris, afsluitprovisie, taxatie en tijd) zal de gemiddelde consument geneigd zijn om deze hogere rente te accepteren. De voordelen van de lage rente moet dus op de langere termijn worden doorberekend, met inbegrip van wat de kosten zijn als je de hypotheek wilt oversluiten naar een goedkopere aanbieder na de lage renteperiode. Pas dan krijg je een beeld of je werkelijk korting geniet.
4. Hoge rentekortingen op een langere rentevaste periode
Ook hier geldt: bereken de korting door over de gehele periode (van vijfentwintig of dertig jaar) die de hypotheek loopt. Houdt er rekening mee dat het vervallen van de korting aan het einde van de rentevaste periode betekent dat de maandlasten flink zullen stijgen. Bij gelijk blijvende rentestanden zullen de maandlasten in ieder geval stijgen als gevolg van het vervallen van de rentekorting.
5. Geen of een bescheiden overlijdensrisicoverzekering (bij een spaar-, beleggings- of hybride hypotheek met polis)
Wanneer je een hypotheek wilt waar standaard een overlijdensrisicodekking in zit, kan het wel eens zijn dat de aanbieder deze weglaat in de offerte. Dat scheel tientallen euro’s in de maandlasten, maar je bent dan niet verzekerd. Dit kan akelige consequenties hebben bij onverhoopt overlijden.
6. Bij oversluiten een groter bedrag lenen
Als je een hypotheek oversluit, moet je in de meeste gevallen een boete betalen. Die kun je het beste uit eigen middelen voldoen, dat is het voordeligst. Soms wordt echter geadviseerd om de boete op te nemen in de nieuwe financiering. Je moet hiervoor dan een hogere lening afsluiten. Dat scheelt weliswaar een bedrag ineens, maar de rente over het hypotheekdeel voor de financiering van de boete is niet fiscaal aftrekbaar en je bent langer bezig met aflossen. Opnieuw geldt: reken door of deze mogelijkheid werkelijk voordeliger is.
7. Geen of weinig aflossing (aflossingsvrije hypotheek of een hybride hypotheek met een aflossingsvrij deel)
Maandlasten kunnen kunstmatig woren beperkt door een aflossingsvrije hypotheek te nemen. Het grote nadeel hiervan is dat geen eigen vermogen wordt opgebouwd, in tegenstelling tot andere hypotheekvormen. Je hebt aan het einde van de looptijd een grote restschuld, terwijl de rente voor maar maximaal dertig jaar aftrekbaar is. Overweeg je een dergelijke hypotheek, dan moet je je bewust zijn van e eventuele gevolgen. Laat je uitgebreid informeren.
8. WOZ-waarde lager inschatten
Als op de hypotheekberekening een lagere WOX-waarde van je woning is ingeschat, scheelt dat veel belasting. Door een lager eigenwoningforfait betaal je minder belasting en is het totale nettolastenbedrag per maand dus lager. Na de overdracht van de woning ontvang je de werkelijke WOZ-beschikking van je gemeente. De daarop aangegeven WOZ-waarde kan hoger zjin dan de gehanteerde WOZ-waarde in de ontvangen berekening van de hypotheeklasten. Slecht idee dus om een (te) lage WOZ-waarde te hanteren: een vorm van ‘creatief boekhouden’ die eigenlijk niet door de beugel kan.
9. Inzet eigen middelen
Eigen middelen kun je op verschillende manieren inzetten, bijvoorbeeld door het hypotheekbedrag te verlagen of een extra storting in de polis te doen. Zo kun je de nettomaandlasten beïnvloeden. Om een juiste vergelijking te maken is het verstandig om een hypotheek te kiezen op basis van het kale product, vóór het inbrengen van eigen middelen. Zodra de keuze is gemaakt, kan worden bedacht hoe de eigen middelen het best kunnen worden aangewend.
10. Vergelijking met diverse looptijden
In de regel vraag je diverse offertes aan wanneer je een hypotheek nodig hebt. Let daarbij goed op dat op elke offerte dezelfde looptijd wordt aangegeven - het maakt nogal wat uit voor de maandlasten of er gerekend wordt met een looptijd van twintig, vijfentwintig of dertig jaar.
Bron: Vereniging Eigen Huis
Onze adviseurs zullen zich inzetten om u zo helder en realistisch mogelijk te adviseren. U kunt zich hier alvast inlezen in het adviesproces.
